Verwijzingen naar PBC door verlengingsrechter

Hoewel er juridisch gezien nauwelijks ruimte is om in TBS-verlengingszaken over te gaan tot een observatie in het Pieter Baan Centrum, gebeurt dat wel. Op rechtspraak.nl zijn meerdere uitspraken te vinden waarin de Penitentiaire Kamer van het Gerechtshof Arnhem(-Leeuwarden) oordeelt in zaken waarin de TBS-gestelde ten behoeve van de verlengingszitting in het PBC is geobserveerd. Een aantal voorbeelden:

In de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 17 maart 2011 had het OM geappelleerd tegen de afwijzing van de vordering tot verlenging door de rechtbank. In eerste aanleg werd de TBS-gestelde geobserveerd in het PBC dat de diagnostiek van de kliniek (schizofrenie) niet onderschreef en het recidivegevaar (anders dan de kliniek aanvankelijk) als laag tot matig inschatte en adviseerde de TBS inderdaad te beëindigen. Het Hof volgde dat advies, mede doordat de kliniek zich uiteindelijk aansloot bij de conclusies van het PBC.

In de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 23 december 2011 is door de TBS-gestelde geappelleerd tegen een verlenging met twee jaar. In hoger beroep wordt de TBS-gestelde in het PBC onderzocht. Daar komt men tot de conclusie dat geen sprake (meer) is van een stoornis. Het Hof overweegt: “ondanks dat de wet voor verlenging van de terbeschikkingsmaatregel naast het gevaarscriterium niet tevens de eis stelt dat er ten tijde van de verlenging nog steeds sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis, dient aan die eis, gelet op de aard en strekking van de maatregel en de in het kader van de oplegging van die maatregel geldende eisen, bij verlenging wel te worden voldaan“. Van een pathologisch bepaald recidivegevaar kan daarom niet worden gesproken. Het Hof wijst de vordering tot verlenging alsnog af. Hiervan was ook sprake in de uitspraak van het Hof van 20 december 2012, waarbij het Hof in een tussenbeslissing bepaalde dat de TBS-gestelde nader moest worden onderzocht in het PBC, die concludeerde dat geen sprake (meer) was van een stoornis. In de situatie die leidde tot de uitspraak van het Hof van 5 september 2013 stelde het PBC eveneens geen stoornis vast, maar was sprake van twijfel of daarvan enkel in de kliniek (geen) sprake van was of dat ook buiten het TBS-kader de persoonlijkheidsstoornis zou zijn verdwenen of voldoende verbleekt. In die situatie werd de TBS wel verlengd, maar werd nader onderzoek naar de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging bevolen.

Op 21 april 2010 heeft het Gerechtshof de zitting in hoger beroep geschorst om nader onderzoek te laten doen naar de diagnostiek, de noodzaak tot verdere behandeling en de mogelijkheden van zo’n behandeling van de terbeschikkinggestelde. Dit leidde tot de uitspraak van het Gerechtshof van 7 maart 2011 waarbij aan de hand van het PBC-rapport wel een stoornis en recidivegevaar werden vastgesteld en de TBS alsnog met twee jaar werd verlengd.

Op 23 december 2011 deed het Gerechtshof uitspraak in een procedure waarbij de TBS met voorwaarden door de rechtbank werd omgezet in alsnog verpleging van overheidswege. In dat kader liet het Hof de TBS-gestelde nader onderzoeken in het PBC. De behandeling in het kader van de TBS met voorwaarden liep vast door (aldus de kliniek) een gebrek aan motivatie bij de TBS-gestelde. Het Hof wilde nader laten onderzoeken of het vastlopen van de behandeling inderdaad aan hem kon worden verweten en wil meer duidelijkheid over de vastgestelde diagnose. Ook wil het Hof voorgelicht worden over de behandelingsmogelijkheden en de vraag of dat in het kader van een TBS met voorwaarden kan. Hoewel het PBC adviseert de TBS met voorwaarden voort te zetten omdat de TBS-gestelde geen hoog beveiligingsniveau nodig heeft en het recidivegevaar pas op langere termijn en in specifieke omstandigheden ontstaat, zet het Hof de TBS met voorwaarden toch om in een TBS met dwangverpleging, kort gezegd omdat het Hof er geen vertrouwen in heeft dat een TBS met voorwaarden gaat slagen.

Bij tussenbeslissing van het Gerechtshof van 18 juli 2013 heeft het Hof bepaald dat de TBS-gestelde nader onderzocht moest worden in het PBC omdat de opvattingen van de kliniek en de externe psycholoog wezenlijk van elkaar verschilden. De externe psycholoog had op verzoek van de TBS-gestelde een contra-expertise uitgevoerd. Na onderzoek door het PBC concludeerde het Hof dat het recidivegevaar laag was en er geen relevante stoornis was. Verlenging vond (bij beslissing van 20 februari 2014) toch plaats omdat (nog) niet voldaan was aan de eis van artikel 509t lid 2 Sv.

In de zaak die leidde tot de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 25 juli 2013 was sprake van een onderzoek in het PBC om de longstay-status van de TBS-gestelde te beoordelen. Het Hof hield de zitting in hoger beroep  aan om de uitkomsten van dat onderzoek af te wachten. In de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 mei 2016 wordt gerefereerd aan een PBC-rapport dat (ook) opgesteld is over een TBS-gestelde die in de longstay verblijft, mede om inzicht te krijgen in de vraag of naast persoonlijkheidsproblematiek sprake was van een stoornis in het autismespectrumstoornis. Het PBC concludeert dat van ASS geen sprake is en dat er geen reële behandelmogelijkheden zijn. Het Hof verlengt met twee jaar.

Meer recent is de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 februari 2018 waarbij de TBS-gestelde voor nader onderzoek naar het PBC werd gestuurd. De kliniek adviseert verlenging met twee jaar omdat het recidivegevaar onverminderd hoog zou zijn, de externe psycholoog adviseert verlenging met één jaar en voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Door de behandelimpasse die in de kliniek is ontstaan, is er onvoldoende diagnostiek tot stand gekomen. Gelet op de lange aanloop naar het delict schat de externe psycholoog in dat tijdig kan worden ingegrepen en een VO dus verantwoord is. Wordt vervolgd… (Rb Overijssel 27-02-2018)

2018-03-14T22:44:39+00:00